‹ Terug naar alle regionale pacten

Ontwikkelingen in welzijn: de professional als verbinder

Welzijn hoort net zo goed als de zorg bij het Zorgpact. Welzijn is breed: van jongerenwerkers en sociale wijkteams tot aan de kinderopvang. Bovendien doen zich hier allerlei ontwikkelingen voor, sinds de decentralisatie. ‘Van zorgen voor naar zorgen dat’ luidt het credo. Hoe ziet dat er in de praktijk uit? Waar lopen welzijnswerkers tegenaan? En hoe spelen regionale zorgpacten en koplopers in op die ontwikkelingen? Een gesprek met Levien Rademaker (Werkgeversvereniging zorg en welzijn) en Hester Bats (Spectrum) van regionaal Zorg- en Welzijnspact Midden- en Zuid-Gelderland en Suzanne Titsing van Koploper De Tinten Academie.

Ontwikkelingen in welzijn: de professional als verbinder

Het speelveld van professionals in welzijn ziet er anders uit sinds begin 2015. Vanaf dat moment is de transitie en transformatie van de zorg- en welzijn een feit. Veel taken op het gebied van welzijn zijn overgeheveld van het Rijk naar gemeenten, bezuinigingen zijn doorgevoerd en het activeren van de eigen kracht van burgers vormt voortaan het uitgangspunt binnen het welzijnswerk.

pasfoto suzanne titsing
Suzanne Titsing

Het netwerk betrekken

‘Die veranderingen betekenen een omslag in het denken en doen van professionals in welzijn’, vertelt Suzanne Titsing. ‘Waar voorheen een cliënt bijvoorbeeld een maatschappelijk werker belde en naar hem toeging, beweegt die maatschappelijk werker zich nu veel meer in de wijk.’ Dat doet hij in een sociaal wijkteam, bestaande uit professionals gericht op zorg, samenlevingsopbouw en individuele hulpverlening. Titsing: ‘Als sociaal wijkteam ga je nu veel meer kijken naar wat er in de buurt speelt. Zijn er bijvoorbeeld mensen die vereenzamen? Het uitgangspunt daarbij is dat er vanuit de eigen sociale omgeving van de cliënt oplossingen worden bedacht.’ ‘Daardoor ontstaat er een grotere rol voor vrijwilligers en mantelzorgers’ zegt Levien Rademaker. Een thema dat ook centraal staat binnen ons zorg- en welzijnspact.’ Toch is het betrekken van mantelzorgers en vrijwilligers vooral voor welzijnsprofessionals uit de eerstelijn behoorlijk wennen. Hester Bats: ‘Je merkt dat sociale wijkteams dit heel lastig vinden. Er wordt al snel gezegd ‘’Dat kun je niet door een vrijwilliger laten doen.’’ Daarbij komt dat sociale wijkteams steeds vaker te maken krijgen met situaties waarin meerdere problemen een rol spelen. Daar zijn ze vaak zo druk mee, dat het best lastig is om daarin ook het netwerk te betrekken.’

pasfoto levien rademakers
Levien Rademaker
pasfoto hester bats
Hester Bats

Bezuinigingen

Naast een andere manier van werken, zijn ook de doelgroepen met wie welzijnsprofessionals uit de eerstelijn werken veranderd. Titsing: ‘Door bezuinigingen op gespecialiseerde zorg, moeten sociale wijkteams deze problematiek meer opvangen. Dat betekent dat mensen met bijvoorbeeld een licht verstandelijke beperking of psychische klachten nu ook onder hun verantwoordelijkheid vallen.’ En bezuinigingen treffen welzijn zelf ook. Rademaker: 'Je ziet dat er vanuit gemeenten steeds meer bezuinigd wordt op het welzijnswerk.' Bats: ‘Er wordt al snel gezegd: welzijn is niet meer nodig, want de buren of vrijwilligers gaan het wel doen. Maar dat wordt vaak zwaar overschat. Er zijn veel vrijwilligersorganisaties die nu al niet genoeg vrijwilligers hebben om hun organisatie draaiende te houden. Bovendien is het werven en begeleiden van vrijwilligers een ingewikkelde en tijdrovende taak.’

Uitgangspunt is dat er vanuit de eigen sociale omgeving van de cliënt oplossingen worden bedacht

De straat opgaan

Net als voor professionals uit de eerstelijn is het meer de straat opgaan voor welzijnswerkers binnen de welzijnssector een uitdaging. Bats: ‘Deze welzijnsclubs zijn vaak in gesprek met bewonerscommissies en besturen van dorps- en buurthuizen. Er wordt vanuit gegaan dat deze vrijwilligers de vertegenwoordigers van de wijk zijn. Maar dat gaat vaak niet helemaal op. Deze mensen zitten in een bestuur, omdat ze bijvoorbeeld graag hun zegje willen doen of van vergaderen houden. Dat betekent voor welzijnswerkers dat zij veel meer de straat op moeten gaan. Met mensen praten, initiatieven aan elkaar knopen. En dat is lastig. Want of een welzijnswerker succesvol is,

hangt niet alleen af van zijn inspanningen. Het heeft ook te maken met de historie van zo’n wijk, het voorzieningenniveau en de bewonerssamenstelling. Zo kan een burgerinitiatief bij een volkswijk hartstikke goed lopen en bij de wijk ernaast totaal niet. Wat dat betreft is het ook lastig te bepalen wat het welzijnswerk oplevert. Hoe meet je dat?’ Toch zijn er ook wijken waar het goed gaat. Rademaker: ‘Neem bijvoorbeeld het project ‘De Allesbinder.’ Een initiatief van de Hogeschool Arnhem Nijmegen (HAN) gericht op een wijk naast de voormalige Honigfabriek in Nijmegen. Rademaker: ‘Dat project richt zich heel erg op de vraag wat mensen bindt en waar ze tegenaan lopen. Studenten van onder meer de opleiding Culturele Maatschappelijke Vorming (CMV) voeren daar projecten uit om de leefbaarheid en de sociale cohesie in de wijk te bevorderen. Doordat het welzijnswerk hier net anders wordt vormgegeven, kom je sneller te weten wat de vragen van de wijkbewoners zijn.’

Als welzijnswerker word je steeds meer de spil in het netwerk

Vroegsignalering

Het netwerk betrekken en actief de buurt ingaan. Het zorgt er automatisch voor dat professionals uit de welzijnssector een grotere rol gaan spelen bij vroegsignalering. Rademaker: ‘Dat is nu veelal een taak van de gemeente, maar welzijnswerkers worden hier steeds belangrijker in. Als welzijnswerker word je steeds meer de spil in het netwerk. Je ziet veel meer mensen, kunt verbindingen leggen en hebt de mogelijkheid om problemen van cliënten in een veel vroeger stadium te herkennen.

Vroegsignalering is dan ook een belangrijk thema binnen het Zorgpact Midden- en Zuid-Gelderland.’ Maar veel welzijnswerkers hebben die vaardigheid niet van nature in zich. Titsing: ‘Vanuit de Tinten Academie proberen we daar met scholing en trainingen op in te spelen. We leren professionals hoe je dingen kunt signaleren. En ze leren begrijpen wanneer iets hun pet te boven gaat en ze andere hulp moeten inschakelen. En welke hulp dat dan moet zijn. Die trainingen ontwikkelen we in samenwerking met de Hanzehogeschool en ketenpartners uit de praktijk. Want we willen theorie en praktijk graag met elkaar verbinden.

Verbinding onderwijs en praktijk

‘Het onderwijs moet ook echt aanhaken bij de ontwikkelingen in het welzijnswerk’, zegt Rademaker. En dat gaat volgens hem verder dan alleen nieuwe methoden opnemen in het curriculum. Rademaker: ‘Die ontwikkelingen gaan zo snel. Methoden die je nu leert, zijn bij wijze van spreken over 4 jaar weer verouderd. Dus moet je als school zorgen dat je samen met de praktijk optrekt. Deels gebeurt dat ook al wel. Neem de pilot van Sparkcentres: gezondheidscentra waar verschillende disciplines samenwerken en studenten kunnen stagelopen.’ En ook bij de Tinten Academie nemen ze de praktijk als uitgangspunt. Titsing: ‘Het mooie aan onze trainingen is dat we daarbij niet aanbodgericht werken, maar dat we juist heel erg denken vanuit de vraag en behoefte van het werkveld. Van daaruit leveren wij, de Hanzehogeschool en de betreffende ketenpartners input voor de ontwikkeling van een training. Het concept gaat vervolgens nog langs professionals uit de praktijk die aan de training willen deelnemen. En dan wordt er negen van de tien keer nog wel iets aan toegevoegd of gewijzigd. De casuïstiek die we in de trainingen behandelen, kunnen docenten van de Hanzehogeschool weer meenemen in hun lessen. En zo leren studenten ook weer aan de hand van actuele voorbeelden.’